Ik zit op de bank met mijn telefoon. Mail open. Het bloed schiet naar mijn hoofd. Hart bonkt. ‘Dat meen je niet,’ zeg ik tegen mijn man. Mijn vingers branden om meteen te typen. Hij zegt: ‘Wacht even’. Voor de verandering doe ik dat.
Ik loop naar de keuken, zet water op. Als mijn wangen weer hun gewone kleur hebben, adem ik een paar keer diep. Dan pas zie ik wat er gebeurt: mijn eerste impuls is redden. Het voor iemand opnemen, luid en publiek. Als de hitte zakt, snap ik meestal ook de ander weer een beetje.
De vraag blijft: spreek ik me uit of niet?
Twee vragen helpen me.
1. Raakt dit mij of mijn kinderen direct?
Als iemand mijn werk bekritiseert, mag ik daar iets van vinden. Gaat het om mijn kinderen, dan mag ik het met ze bespreken (het zijn tieners) en samen bepalen of er wordt gereageerd en door wie.
2. Wordt hier een grens overschreden (geweld, intimidatie, fraude)?
Als wet of huisregels worden gebroken, dan spreek ik me uit. Punt.
En al het andere? Laten gaan.
Ik stuur die mail niet. Ik zet thee, ga weer op de bank zitten en scroll door de nieuwe herfstcollectie van Zara.