Sinds een paar maanden ben ik aan het wielrennen. Ik vind het boven verwachting leuk.
Laatst wilde ik een rondje rijden, maar de wind stond niet gunstig voor het rondje dat ik in gedachten had. Ik zou op de terugweg wind tegen hebben, en dat wil je liever niet. Weet ik inmiddels uit ervaring.
Toch wilde ik per se dat rondje rijden, dus nam ik het voor lief.
Met de wind mee ging het natuurlijk fantastisch.
En toen — op de polderweg — vol in de wind.
Ik hoorde mijn gedachten:
Ik heb zó’n hekel aan wind tegen.
Het waait veel harder dan ik dacht.
Ik kan echt niet goed tegen de wind in fietsen.
Weerstand dus. Verzet.
Ik merkte ook dat ik boos werd. Maar op wie? Op de wind?
En ineens realiseerde ik me: dit is weerstand.
Dat zal je niet onbekend zijn.
Mijn reactie op weerstand is dus boos worden. Alsof het er niet mag zijn, de wind.
En ik bedacht me: het is maar wind.
Net had je wind mee — dat was makkelijk.
Nu heb je wind tegen — dat is moeilijker.
Maar het is maar wind.
Het enige wat je hoeft te doen, is blijven trappen.
Gewoon ronddraaien met die pedalen, meer niet.
Je hoeft je niet te verzetten — de wind is er toch.
Je hoeft niet harder in je stuur te knijpen — de wind is er toch.
Je hoeft niet boos te worden — want ook dat zorgt niet dat de wind weggaat.
Wat je wél kunt doen: even schakelen, zodat het trappen wat lichter gaat.
En door blijven trappen. Dat is alles.
Ik zat bijna lachend op de fiets, ondanks de wind.
Om deze metafoor.
Die we ook op andere vlakken zo vaak tegenkomen.
Bij weerstand gaan we ons verzetten.
En misschien is het enige wat we nodig hebben…
onszelf even de tijd gunnen om te schakelen.
